Om zich bij de mens te voegen, zo’n 12.000 – 14.000 jaar geleden, moest de oerhond een paar kenmerken van het wilde dier verliezen.
De oerhond moest ten eerste de angst van het wilde dier voor de mens verliezen. Hij moest ten tweede een dier worden waarvoor de mens geen angst hoefde te voelen. Want de mens duldde geen dier in of om zijn nederzetting dat een gevaar was voor hem, zijn kinderen of zijn vee. Dieren die de mens of zijn broodwinning in gevaar brachten, werden genadeloos gedood.
Zodoende kwam de allereerste gerichte selectie bij de hond als soort op gang. De oerhonden die het minst agressief waren hadden de beste kansen om bij ons in de buurt te overleven, eten te vinden, en zich voort te planten. Door inmenging van de mens – het doden van alle agressieve honden – verloor de oerhond de neiging om agressie naar de mens en zijn vee te tonen. Hij werd een gedomesticeerd dier.
Griekse zwerfhond
De oorspronkelijke hond was een middelgroot dier (ongeveer 20 kilo) dat ons niet vreesde maar zich ook niet aan ons opdrong. Hij hield zich op de achtergrond en had geen enkele neiging om mens of dier achter na te jagen of aan te vallen. Hij hing in onze nederzettingen en dorpen rond, kijkend naar de rennende kinderen en het scharrelende pluimvee zonder zich ermee te bemoeien.
Het is pas veel later in onze geschiedenis dat de mens de hond gericht is gaan fokken voor andere eigenschappen dan vreedzaamheid. Ondanks de fabeltjes is geen enkel modern hondenras ouder dan een paar honderd jaar. Het grootste gedeelte van deze rassen is gecreëerd door voor afwijkingen in het uiterlijk te fokken. Bij de werkhondenrassen is er voor afwijkingen in het gedrag gekozen.
De meerderheid van de werkhondenrassen heeft erfelijke gedrags-eigenschappen die géén gevaar voor de mens zijn. Ze sluipen en ogen, gaan in de aanwijshouding staan, of houden veel van zwemmen. Dit kan allemaal lastig zijn, maar het is geen ramp als het in onze woonkamer gebeurt. Het uiterlijk van deze honden is niet zo heel anders dan dat van andere honden.
De honden die voor agressie zijn gefokt hebben erfelijke gedrags-eigenschappen die wél een gevaar voor mens en dier zijn. De waarschuwingen en de bijtrem die een normale hond toont zijn eruit gefokt. Het uiterlijk van deze honden geeft aan dat zij voor de taak van het doden zijn gefokt. Hun kaak-, nek- en schouderspieren, en hun lichaamsmassa zijn overdreven verzwaard. Deze honden werden vroeger niet in huis gehouden omdat men wist waarvoor zij gefokt waren. Men wist dat het een ramp zou zijn als het erfelijke gedrag van deze werkrassen in de woonkamer voorkwam.
Het is volstrekt nieuw, iets van de afgelopen dertig jaar, dat de mens een dergelijk dier onder zich duldt. Het tolereren van een dier in onze leefomgeving dat de mens, zijn kinderen, en zijn andere dieren onvoorspelbaar verminkt of doodt is een breuk met de menselijke geschiedenis tot nu toe. Terug naar de feiten Volgende feit
|